De eerste mens werd geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God. Daarom was hij ook volledig gericht op God en God werd in de mens weerspiegeld als de zon in een dauwdruppel. Zijn verstand en verlangen, zijn geest, liefde en wil concentreerden zich tot één doel, nl. het schouwen van God. Ook het lichaam, dat uit stof was geschapen, kon aan dit schouwen deel hebben, het was immers nog niet besmet met lusten vol hartstocht. Als een wezen, geschapen naar Gods beeld, kon de mens evolueren naar Gods gelijkenis.

De duivel echter begon, als een gevallen engel, een eerste strijd met Adam in het Paradijs. En door Adam, meteen ook met elke mens, want elke mens is uit Adam: “Daarom, gelijk door één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben.”1  Adam verloor deze eerste oorlog en zijn nederlaag herhaalde zich sindsdien gedurende vele duizenden jaren in elke mens. Wat Adam deed, doet iedereen. “Het was louter ongehoorzaamheid die de opdracht, door God aan de mens gegeven, besmette en verstoorde.”2

Dit is de vicieuze spiraal, die als een wurgende keten rond de menselijke natuur werd gespannen door “de overheden en machten.”3 Deze duistere krachten dringen vermomd en onmerkbaar onze menselijke natuur binnen en zetten ons aan tot tegennatuurlijke daden en ongehoorzaamheid aan God. Door hun kwaadaardige raad vernietigen de gevallen engelen de paradijselijke deugd binnen de menselijke natuur. Verder in dit boek zullen we zien hoe zij vervolgens ook het licht van kennis doven.

Zodoende leidde Adam de menselijke natuur af van het korte pad tot vervolmaking naar het web van gehoorzaamheid aan de duivel. Daarom verbande God Adam uit het Paradijs naar deze wereld: “Elke mens wacht een grote moeite en een zwaar juk rust op de kinderen van Adam.”4 De duivel veroorzaakte een ware ramp: hij besmette de oorspronkelijke, onsterfelijke natuur van de mens met de fatale kiem van de dood en creëerde hierdoor de tragedie van de geschiedenis.

De val van de menselijke natuur door het zich laten verleiden is vergelijkbaar met de implosie van een mens. In één ogenblik werd de menselijke geest een gemakkelijke prooi voor trots en ijdelheid, waardoor de mens geloof ging hechten aan de bewering van de duivel dat de mens “als God”5 zou zijn en kennis zou hebben van goed en kwaad. Liefde verlaagde zich tot vleselijke wellust en de wil, die aanvankelijk louter op het hogere gericht was, veranderde in de lage gevoelens van vrees en schaamte: Adam zag zichzelf naakt en verborg zich voor God. Toen God hem bij name riep, kon Adam God niet meer zien, enkel maar horen. Ogenblikkelijk wendde het oog van het geweten zich af van God en keerde zich naar het innerlijke: Adam ontdekte plotseling dat hij naakt was. Zijn geest verdorde en eigenliefde verwondde zijn hart. Adam hield God verantwoordelijk voor de miserabele toestand, waarin hij zich bevond, terwijl hijzelf, ook als voorouder, schuldig was voor zijn ongehoorzaamheid, waardoor hij de vreugde ontzegd werd God te kunnen zien. “God maakte voor de mens en voor zijn vrouw klederen van vellen en bekleedde hen daarmede.”6   “Toen zond de Heer God hem weg uit de hof van Eden om de aardbodem te bewerken, waaruit hij genomen was. En Hij verdreef de mens.”7

Sindsdien bevindt de menselijke natuur zich in een permanent en dubbel conflict:

  1. Het innerlijk conflict:

1a. Met God

1b. Met zichzelf

  1. Het uiterlijk conflict:

2a. Met de medemens

2b. Met de schepping


Dit conflict volgt ons als een voortdurende straf en werpt een schaduw op onze gelijkenis met God. Toch is de ziel nog niet volledig overschaduwd, want nog steeds straalt het geweten als een richtinggevende ster, als een machtige en hemelse kracht, die ons steeds aan onze goddelijke intenties herinnert en ons blijft uitnodigen onszelf te herstellen. Uit dit conflict komt elke wanorde voort en ook elk eindeloos laveren tussen de twee wetten, waarover Apostel Paulus schrijft: “Als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig, want naar de inwendige mens verlustig ik mij in de Wet Gods, maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is.”8  

Daarom gaan we op vier vlakken in de fout: met God, met onszelf, met de medemens en met de schepping. M.a.w. door de zondeval en de teloorgang van de oorspronkelijke, menselijke natuur verloor de mens zijn vrede met God, zijn innerlijke vrede, zijn vrede met de mensen en zijn vrede met de gehele schepping. De mens werd op alle gebied een wildeman, die zelfs door God op een bepaalde wijze ‘gevreesd’ wordt. Dit is ook de reden waarom dieren de menselijke aanwezigheid ontvluchten.

 

 

1  Rom. 5,12
2  Maximus de Belijder, Tegen Thalassius
3  Col. 2,15
4 Wijsheid van Jezus Sirach, 40, 1
5  Gen. 3,5
6  Gen. 3,21
7  Gen. 3,23-24
8 Rom. 7,21-23

Gastenboek

Laat een bericht achter in ons gastenboek!

gastenboek

Ga naar boven